Totdat wij besluiten: tot hier en niet verder

Vaak realiseren we ons niet hoe we in een cirkel van onbegrip en patronen terechtkomen die zich maar blijven herhalen. In relaties, op het werk, binnen families, teams en organisaties. En hoe gemakkelijk het ook is om te kijken naar wat een ander doet, uiteindelijk zijn we zelf óók onderdeel van de situaties waarin we terechtkomen. Dat betekent niet dat alles onze schuld is. Wel dat we invloed hebben op de vraag hoelang we ergens onderdeel van blijven en wat we zelf meenemen in de dynamiek.
Misschien heb je weleens gehoord van de dramadriehoek, een psychologisch model uit de Transactionele Analyse van Stephen Karpman. Daarin kunnen mensen onbewust terechtkomen in de rol van slachtoffer, aanklager of redder. Het slachtoffer voelt zich machteloos en legt de verantwoordelijkheid vooral buiten zichzelf. De aanklager wijst naar wat de ander verkeerd doet. De redder neemt juist te veel verantwoordelijkheid over en probeert op te lossen wat misschien helemaal niet van hem of haar is. Het interessante én ingewikkelde is dat die rollen kunnen wisselen. De redder kan uiteindelijk boos worden omdat niemand luistert en aanklager worden. De aanklager kan zich vervolgens miskend voelen en slachtoffer worden. Voor je het weet draait iedereen rondjes.
Ik ben in mijn eigen leven ook gaan kijken naar mijn aandeel in zulke processen. Na jeugdtrauma door seksueel misbruik bouwde ik een diep wantrouwen op, naar mijzelf maar ook naar het leven. Daarbij ontstonden mechanismen en overtuigingen die ooit volkomen logisch waren. Als kind beschik je immers niet over de kennis en mogelijkheden die je later als volwassene hebt. Je doet wat op dat moment nodig lijkt om verder te kunnen. Maar wat ooit hielp om te overleven, hoeft je jaren later niet meer vooruit te helpen. Dat onderscheid heb ik gedurende mijn leven en loopbaan steeds beter leren begrijpen: we zijn niet ons trauma, we zijn niet onze gevoelens en we zijn ook niet de mechanismen die ooit zijn ontstaan om ons te beschermen.
Ik had altijd volop zin om te werken, lief te hebben en te leven. Op veel werkplekken was ik als een vis in het water en inmiddels heb ik zo’n dertig jaar werkervaring. Maar deep down zat ook die onzekerheid en dat oude wantrouwen. Daardoor kon ik, zonder dat ik het zelf doorhad, opnieuw aansluiten bij vage processen en ingewikkelde dynamieken waar ik vervolgens óók zelf onderdeel van werd. Ook in relaties. Dan dacht of riep ik weleens: wat een narcist. Totdat ik mezelf een andere vraag stelde: wat maakt eigenlijk dat ík hier steeds in terechtkom?
En daar kwam ik mijn eigen geschiedenis weer tegen. Want wanneer je ergens binnenkomt terwijl diep vanbinnen de fightal aanwezig is, bestaat de mogelijkheid dat je uiteindelijk ook met een fight weer vertrekt. Aan de buitenkant kun je prima functioneren, hard werken, lachen, zorgen, presteren en verantwoordelijkheid nemen, terwijl vanbinnen een heel ander verhaal meespeelt.
Daarmee praat ik toxiciteit overigens niet goed, want die bestaat. Roddels bestaan. Machtsspelletjes bestaan. Mensen kunnen elkaar beschadigen. Er bestaan organisaties waarin verantwoordelijkheid voortdurend wordt doorgeschoven en omgevingen waarin uiteindelijk bijna niemand meer hardop durft te benoemen wat iedereen eigenlijk ziet. En het stopt niet bij individuele mensen, want ook systemen kunnen uit verbinding raken met waarvoor ze oorspronkelijk bedoeld waren.
Iets kan vanuit een gezond en prachtig ideaal zijn begonnen en vervolgens steeds verder worden opgetuigd met regels, functies, procedures, belangen en overtuigingen. Het oorspronkelijke ideaal staat misschien nog keurig op papier, terwijl de praktijk ondertussen iets heel anders laat zien. Dan kan een systeem vooral zichzelf in stand gaan houden. Procedures worden belangrijker dan mensen, het eigen gelijk belangrijker dan opnieuw durven kijken en besluiten kunnen bureaucratisch worden rechtgetrokken omdat ze binnen de regels passen, terwijl je je tegelijkertijd kunt afvragen waar redelijkheid, menselijke maat en soms zelfs de oorspronkelijke norm zijn gebleven.
Er bestaat ook daadwerkelijke witteboordencriminaliteit: strafbaar handelen vanuit professionele, zakelijke of maatschappelijke posities. Maar lang voordat iets strafbaar hoeft te zijn, kan er al een ongezonde dynamiek ontstaan. Macht, status, eigenbelang, zelfverheerlijking en groepsdenken kunnen een rol gaan spelen. Ook kan iemand of een organisatie zo overtuigd raken van het eigen ideaal dat nauwelijks nog wordt onderzocht wat dat ideaal in de werkelijkheid teweegbrengt. En zelfs wanneer iets formeel of juridisch wordt gelegitimeerd, betekent dat niet automatisch dat daarmee iedere morele, menselijke of maatschappelijke vraag is opgelost. Recht, moraal, menselijke maat en persoonlijke beleving vallen nu eenmaal niet altijd één op één samen.
Daarom vind ik het zo belangrijk om niet alleen naar de binnenkaders van een mens te kijken, maar ook naar de buitenkaders waarin die mens probeert te functioneren. Soms proberen we een individu eindeloos te repareren terwijl er óók iets in zijn omgeving niet klopt. En soms wijzen we juist uitsluitend naar het systeem, terwijl we zelf niet willen kijken naar wat wij daarin doen. Beide kunnen tegelijkertijd bestaan.
Daar raakt voor mij ook het dode-paardidee aan. We zien iemand die niet vooruitkomt: een cliënt bij wie de ene interventie na de andere weinig lijkt te veranderen, een medewerker die steeds opnieuw vastloopt, een professional die niet verder lijkt te komen, een team waarin dezelfde dynamiek terugkeert of een organisatie die al jaren tegen hetzelfde probleem aanloopt. Gemakkelijk ontstaat dan de conclusie: het werkt niet, die persoon wil niet of dit is nu eenmaal hoe het is. Het paard wordt als het ware al dood verklaard.
Maar wat als er iets anders aan de hand is? Wat als iemand nog niet kán zien waar de mogelijkheden tot voortgang liggen? Wat als wij zelf niet zien wat er werkelijk speelt? En wat als het probleem niet alleen in die ene persoon zit, maar in de wisselwerking tussen mens, geschiedenis, omgeving en systeem?
Daar gaat voor mij onbewust onbekwaam zijn over. Je kunt niet zien wat je nog niet ziet en je kunt moeilijk veranderen wat je nog niet herkent. Dat heeft niets te maken met opleidingsniveau, afkomst, functie of maatschappelijke status. We kunnen allemaal onbewust onbekwaam zijn: van cliënt tot hulpverlener, van medewerker tot directeur, van ouder tot professional en van bestuurder tot beleidsmaker.
Juist daar begint voor mij het kijken. Niet alleen vragen waarom iemand niet vooruitkomt, maar onderzoeken wat er nog niet wordt gezien. Wat herhaalt zich? Wat speelt er onder het zichtbare gedrag? Wat komt uit de persoon zelf? Wat wordt mede veroorzaakt of versterkt door de omgeving? En waar bevindt zich een mogelijkheid tot doorgang die tot nu toe buiten beeld bleef?
Want vastlopen betekent niet automatisch dat er geen voortgang mogelijk is. Tegelijkertijd betekent begrijpen ook niet dat je alles moet blijven verdragen. Toxiciteit, roddels, vage zaken en onraad zullen altijd blijven bestaan. We kunnen de hele wereld niet gezond maken voordat we zelf verder mogen. Maar jij en ik mogen wél kiezen of we daar nog langer onderdeel van willen zijn. Soms komt er een moment waarop je besluit: tot hier en niet verder.
Voor mij betekende dat ook loskomen van verhalen, overtuigingen en lasten die ik ooit was gaan dragen alsof ze bepaalden wie ik was. Misschien ben jij ooit als lastig beschouwd terwijl niemand nog sprak over hooggevoeligheid of neurodiversiteit. Misschien paste je niet binnen de norm die op dat moment als normaal werd beschouwd. Misschien werd er vooral gekeken naar jouw gedrag en veel minder naar wat daaronder gebeurde. Maar er zit ook een andere kant aan: wanneer jij jezelf nog niet kent, begrijpt of accepteert, is het voor een ander ook niet eenvoudig om jou werkelijk te ontmoeten. Ook dat is eigenaarschap.
In mijn eigen werk heb ik meegemaakt dat mijn manier van verdiepend werken niet overal gewenst was. Ik maakte ook mee dat cliënten uit zichzelf hun levensgebeurtenissen bij mij begonnen uit te tekenen en zichtbaar te maken en dat mij vervolgens werd gevraagd dat niet meer te doen. Voor mij vertelde dat óók iets. Mensen voelden blijkbaar voldoende veiligheid om zichtbaar te maken wat er werkelijk in hen leefde. Want dat wat gehoord en gezien wil worden, komt vaak omhoog wanneer de tijd rijp is en mogelijkerwijs de juiste mensen op hun plaats zijn.
We krijgen allemaal iets mee uit de lijnen waaruit we voortkomen. Uit onze vader en moeder, of via andere biologischefamilielijnen wanneer bijvoorbeeld donorschap onderdeel is van onze geschiedenis. We krijgen geschiedenis mee, patronen, kracht, pijn, overtuigingen en manieren van omgaan met het leven. Maar ergens komt het moment waarop de vraag verandert. Niet alleen: waar kom ik vandaan en wat is mij overkomen? Maar ook: wie ben ik vandaag en hoe wil ík mij tot dit leven verhouden?
Daar begint voor mij persoonlijk eigenaarschap. Je bent een vrij mens. Je mag er zijn, je mag je welkom en waardevol voelen en je mag onderzoeken wie jij bent wanneer niet langer je geschiedenis, je omgeving, een diagnose, een organisatie of de mening van een ander aan het stuur zit.
Mijn geschiedenis is lange tijd mede de bestuurder geweest van mijn leven. Tegenwoordig ben ik dat steeds meer zelf. Niet omdat mijn geschiedenis verdwenen is. Niet omdat ik nooit meer geraakt word. En ook niet omdat toxiciteit, roddels, bureaucratie, onbegrip, macht of andere onaardigheden uit de wereld verdwenen zijn. Wel omdat ik steeds beter kan onderscheiden wat van mij is, wat bij een ander hoort, wat binnen een systeem speelt, waar ik invloed op heb en waar mijn verantwoordelijkheid ophoudt.
Voor mij is dát zelfbestuur. Niet alles onder controle hebben en ook niet alles of iedereen achter je laten zodra het moeilijk wordt, maar bewust kunnen kiezen hoe je je verhoudt tot wat je tegenkomt. Weten waar je vandaan komt zonder veroordeeld te zijn om daar te blijven. Zien wat niet meer werkt, zonder daarmee de mogelijkheid tot beweging dood te verklaren.
Mijn geschiedenis mag met mij meereizen, maar hoeft niet langer te bepalen waar ik naartoe ga. Ik ga voort, met steeds meer vertrouwen in mijzelf en in dit leven.
Misschien begint voortgang uiteindelijk precies daar: wanneer we werkelijk durven kijken naar wat er is, zien wat van onszelf is en wat niet, en ontdekken waar opnieuw ruimte ontstaat voor beweging.
En soms hoort daar ook een heel helder besluit bij:
Tot hier en niet verder. Niet om stil te blijven staan, maar om van daaruit verder te gaan.